Anaesthesie

Anaesthesie


Inleiding


Voor veel ingrepen is het noodzakelijk dat de patiënt een aantal reacties níet heeft die hij onder normale omstandigheden wél zou hebben. Bij een operatie willen we o.a. graag het volgende bereiken:

  • Bewegingloosheid
  • Pijngevoel uitschakelen
  • Geheugen uitschakelen
  • Ontspanning

De narcosemiddelen die gebruikt worden dienen dus een aantal werkingen te hebben. Daarnaast dienen andere lichaamsfuncties te worden ontzien, zoals de ademhaling, de hartslag, doorbloeding van organen, temperatuurregulatie etc. Er dient geen schade aan de organen te worden toegebracht en we zouden ook graag willen dat de patiënt na de operatie zo snel mogelijk weer "normaal" is.

Eigenschappen van een narcosemiddel

Er bestaat geen narcosemiddel dat alléén goede eigenschappen heeft en geen enkele slechte. Dit is onder meer de reden dat er vaak gebruik wordt gemaakt van een combinatie van narcosemiddelen. Het voordeel is dat je de goede eigenschappen van het ene middel gebruikt en de slechte eigenschappen kunt opheffen door gebruik te maken van de voordelen van een ander middel. Bovendien kun je dan van beide middelen minder gebruiken.

De premedicatie

Dit is de reden dat ook in geval van inhalatieanaesthesie er toch altijd eerst een injectie vooraf wordt gegeven. Het dier wordt na deze "prik" suf maar is meestal niet in slaap. Door deze injectie worden een aantal belangrijke levensfuncties stabieler gemaakt. Zo gaat het hart bijvoorbeeld krachtiger kloppen en zal de bloeddruk beter op peil blijven.

Het toedienen van een narcosemiddel

De meest gebruikelijke toediening vindt plaats via een injectie en/of de ademhaling. De injectie kan gegeven worden in de spier (I.M) of rechtstreeks in een bloedvat (I.V.). In dit laatste geval wordt er een naald in een ader aangelegd waarop een infuus wordt aangesloten. Via dit infuus kan dan het anaestheticum worden toegediend.
Toediening via de ademhaling vindt plaats middels een anaesthesieapparaat. Hierbij wordt(-en) een of meerdere anaesthesiemiddelen in dampvorm ingeademd. De opname in het lichaam vindt dan plaats in de longen. Het bloed zorgt vervolgens voor het transport door het lichaam.

De werking van een anaesthesieapparaat

In een anaesthesieapparaat vindt verdamping plaats van een vloeibaar anaesthesiemiddel. Dit middel wordt vermengd met zuurstof. Soms kan deze zuurstof nog weer vermengd worden met andere gassen, bv lachgas. De functie van het anaesthesieapparaat is om al deze componenten in de juiste hoeveelheid en het juiste mengsel aan de patiënt aan te bieden. Dit is bij ieder dier en voor alle omstandigheden weer anders, en het moet dus regelbaar zijn tijdens de behandeling
Via een slang wordt het mengsel naar een tube in de keel van een dier geleid. Dit is een rubberen slangetje dat in de luchtpijp uitkomt. Tijdens de inademing komt een deel van het narcosemiddel via de longen in het dier terecht.
Door verbranding van zuurstof in het lichaam vindt de vorming van CO2, kooldioxide, plaats. Dit afvalproduct verlaat het lichaam via de longen. De uitademingslucht bevat dus veel CO2. Doordat een anaesthesieapparaat kleppen heeft wordt de uitademingslucht via een andere slang afgevoerd. In het anaesthesieapparaat wordt deze CO2 er weer uitgefilterd (chemisch) en komt de gezuiverde lucht in een rubberen ballon terecht die als reservoir dient. Er wordt opnieuw zuurstof en een hoeveelheid anaesthesiemiddel aan toegevoegd. Vervolgens kan het mengsel weer ingeademd worden.

Beademing

We hebben nu te maken met een volledig gesloten systeem. Hierdoor is het mogelijk om het dier te beademen. Door op de ballon te drukken zal het gas in de longen van de patiënt terechtkomen (inademen), en als je de druk op de ballon verminderd zal er door de elasticiteit van de longen weer gas uit de longen naar de ballon toe stromen (uitademen). Op deze manier kan het ademen van een patiënt volledig worden overgenomen door het anaeasthesieapparaat. Dit noemen we beademen.

De bewaking

Al met al blijkt uit het bovenstaande dat een narcose niet altijd zo eenvoudig is en dat er veel zaken zijn die in de gaten gehouden moeten worden. Daarnaast is de narcose niet het doel, maar een middel om iets te kunnen gaan doen. Om zo goed mogelijk de narcose te kunnen sturen maken we gebruik van een aantal apparaten om objectieve metingen te kunnen verrichten. Aan de hand van deze metingen kunnen we de narcosediepte bepalen, vervolgen en aanpassen. Dit noemen we bewaking van de patiënt.

Het beëindigen van de narcose

Het einde van een narcose wordt bepaald door het moment dat de concentratie van een narcosemiddel in het lichaam te laag is geworden om de patiënt onder narcose te houden.
Het narcosemiddel kan het lichaam op verschillende manieren weer verlaten. Dit kan door:

  • Afbraak in organen (bv in de lever)
  • Uitscheiding via urine (door de nier)
  • Uitademing (via de longen) Dit is alleen mogelijk als het narcosemiddel gasvormig is.
  • Antagoneren: dat wil zeggen het opheffen van de werking door een ander medicament toe te dienen dat de werking van het eerste medicament opheft.

Het voordeel van gasanaesthesie is dat met iedere ademhaling het anaesthesiemiddel uit het lichaam verdwijnt. Hierdoor vindt een snel herstel plaats.

Bijkomen in de opname

 Aan het eind van de behandeling verhuist de patiënt naar de opname om te ontwaken. Voortdurend wordt hier ademhaling, pols, temperatuur en reflexen in de gaten gehouden.
Kleinere dieren kunnen door de narcose sterk afgekoeld zijn. Zij worden in de couveuse geplaatst. Grotere dieren krijgen een warmtelamp. Warmte bevordert een snel en voorspoedig herstel van de narcose.

Opname hond



 
[ terug ]
Web design by Highwire IT