|
Pagina 2 van 2 AnaesthesieInleiding
De narcosemiddelen die gebruikt worden dienen dus een aantal werkingen te hebben. Daarnaast dienen andere lichaamsfuncties te worden ontzien, zoals de ademhaling, de hartslag, doorbloeding van organen, temperatuurregulatie etc. Er dient geen schade aan de organen te worden toegebracht en we zouden ook graag willen dat de patiënt na de operatie zo snel mogelijk weer "normaal" is. Eigenschappen van een narcosemiddelEr bestaat geen narcosemiddel dat alléén goede eigenschappen heeft en geen enkele slechte. Dit is onder meer de reden dat er vaak gebruik wordt gemaakt van een combinatie van narcosemiddelen. Het voordeel is dat je de goede eigenschappen van het ene middel gebruikt en de slechte eigenschappen kunt opheffen door gebruik te maken van de voordelen van een ander middel. Bovendien kun je dan van beide middelen minder gebruiken. De premedicatieDit is de reden dat ook in geval van inhalatieanaesthesie er toch altijd eerst een injectie vooraf wordt gegeven. Het dier wordt na deze "prik" suf maar is meestal niet in slaap. Door deze injectie worden een aantal belangrijke levensfuncties stabieler gemaakt. Zo gaat het hart bijvoorbeeld krachtiger kloppen en zal de bloeddruk beter op peil blijven. Het toedienen van een narcosemiddelDe meest gebruikelijke toediening vindt plaats via een injectie en/of de ademhaling. De injectie kan gegeven worden in de spier (I.M) of rechtstreeks in een bloedvat (I.V.). In dit laatste geval wordt er een naald in een ader aangelegd waarop een infuus wordt aangesloten. Via dit infuus kan dan het anaestheticum worden toegediend. De werking van een anaesthesieapparaatIn een anaesthesieapparaat vindt verdamping plaats van een vloeibaar anaesthesiemiddel. Dit middel wordt vermengd met zuurstof. Soms kan deze zuurstof nog weer vermengd worden met andere gassen, bv lachgas. De functie van het anaesthesieapparaat is om al deze componenten in de juiste hoeveelheid en het juiste mengsel aan de patiënt aan te bieden. Dit is bij ieder dier en voor alle omstandigheden weer anders, en het moet dus regelbaar zijn tijdens de behandeling BeademingWe hebben nu te maken met een volledig gesloten systeem. Hierdoor is het mogelijk om het dier te beademen. Door op de ballon te drukken zal het gas in de longen van de patiënt terechtkomen (inademen), en als je de druk op de ballon verminderd zal er door de elasticiteit van de longen weer gas uit de longen naar de ballon toe stromen (uitademen). Op deze manier kan het ademen van een patiënt volledig worden overgenomen door het anaeasthesieapparaat. Dit noemen we beademen. De bewakingAl met al blijkt uit het bovenstaande dat een narcose niet altijd zo eenvoudig is en dat er veel zaken zijn die in de gaten gehouden moeten worden. Daarnaast is de narcose niet het doel, maar een middel om iets te kunnen gaan doen. Om zo goed mogelijk de narcose te kunnen sturen maken we gebruik van een aantal apparaten om objectieve metingen te kunnen verrichten. Aan de hand van deze metingen kunnen we de narcosediepte bepalen, vervolgen en aanpassen. Dit noemen we bewaking van de patiënt. Het beëindigen van de narcoseHet einde van een narcose wordt bepaald door het moment dat de concentratie van een narcosemiddel in het lichaam te laag is geworden om de patiënt onder narcose te houden.
Het voordeel van gasanaesthesie is dat met iedere ademhaling het anaesthesiemiddel uit het lichaam verdwijnt. Hierdoor vindt een snel herstel plaats. Bijkomen in de opname Aan het eind van de behandeling verhuist de patiënt naar de opname om te ontwaken. Voortdurend wordt hier ademhaling, pols, temperatuur en reflexen in de gaten gehouden.
|


